13 oktober 2009

Vragen van het leden Heijnen en Depla (beiden PvdA) aan de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over woonfraude en de gemeentelijke basisadministratie, en de antwoorden van de staatssecretaris.

  1. Kent u het bericht “Corporaties klagen over gemeenten”? 1)

    Antwoord vraag 1
    Ja.

  2. Is het waar dat gemeenten corporaties geen toegang geven tot het bevolkingsregister om fraudeurs snel te kunnen opsporen? Zo ja, is er wet- of regelgeving die zich verzet tegen het verlenen van deze toegang en welke bepalingen betreft dat dan precies? Zo nee, waarom gebeurt het dan niet?

  3. Onder welke voorwaarden staat het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) toe dat gemeenten inzage krijgen in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA)?

    Antwoord vragen 2 en 3
    Ik heb in een circulaire van 14 mei 2008 de colleges van Burgemeester en Wethouders verzocht om medewerking bij de voorkoming en bestrijding van woonfraude. Bij de aanpak van woonfraude speelt het adres dat is opgenomen in de GBA een belangrijke rol. Onrechtmatige bewoning kan sneller worden opgespoord en beter worden bestreden door samenwerking tussen afdelingen binnen de gemeente en met anderen zoals woningbouwcorporaties. De circulaire biedt de afdeling Burgerzaken een aantal handvatten om hier vorm aan te geven. In de circulaire wordt aandacht gegeven aan de mogelijkheden binnen de wet GBA tot het verstrekken van gegevens aan woningcorporaties of het aangaan van een samenwerking binnen en buiten de gemeentelijke organisaties waarbij gegevens kunnen worden uitgewisseld. Het is aan de gemeente om de mogelijkheden in de circulaire vorm te geven door hier in de verordening aandacht aan te besteden of samenwerkingsvormen met de bij de problematiek betrokken organisaties, zoals woningcorporaties, te initiëren. Een woningcorporatie kan bij haar verzoek om verstrekking van gegevens of samenwerking wijzen op deze circulaire.

    Het komt er kort gezegd op neer dat er mogelijkheden zijn om GBA-gegevens te verstrekken aan woningcorporaties en dat er een uitwisseling van gegevens kan plaatsvinden ingeval van samenwerking tussen gemeentelijke diensten en woningcorporaties. De voorwaarden waaronder gegevens kunnen worden verstrekt uit de GBA staan beschreven in de wet GBA. In de circulaire van 14 mei 2008 heb ik toegelicht hoe met deze regelgeving kan worden omgegaan als het gaat om de bestrijding van woonfraude.

  4. Is het waar dat het vooral kleine gemeenten betreft die geen toegang verlenen? Zo ja, kan dit te maken hebben met een gebrek aan kennis van de regels en bent u dan bereid om daar uitleg over te geven?

    Antwoord vraag 4
    De uitleg van de regels heb ik gegeven met de circulaire van 14 mei 2008. De grootte van de gemeente is niet van belang bij het kunnen toepassen van de circulaire.

  5. Deelt u de mening van Aedes dat voor woningcorporaties toegang tot de informatie van de GBA van groot belang is voor effectieve bestrijding van illegale bewoning? Zo ja, wat gaat u doen om gemeenten van dit belang te doordringen? Zo nee, waarom niet?

  6. Deelt u de mening van het Centrum Criminaliteitspreventie en Veiligheid, dat gemeenten te voorzichtig zijn met het toestaan van een koppeling tussen de bestanden van woningbouwcorporaties en de GBA? Zo ja, wat gaat u doen om deze “koudwatervrees” weg te nemen? Zo nee, waarom niet?

    Antwoord vragen 5 en 6
    Zoals gezegd heb ik in de circulaire van 14 mei 2008 het belang van de rol van de GBA en de samenwerking van gemeenten en woningcorporaties bij de bestrijding van woonfraude onderschreven. De circulaire is via www.bprbzk.nl voor een ieder beschikbaar en gemeenten en woningcorporaties kunnen deze circulaire gebruiken om hun samenwerking vorm te geven. In de volgende Kwaliteitsbrochure van het Agentschap BPR – die aan alle gemeenten wordt gestuurd – zal ik nogmaals aandacht besteden aan deze circulaire.
1) Nederlands Dagblad, 12 oktober 2009

Vorige pagina